Selasa, 26 Maret 2019

PRACHTIGE PREUTSE WACKELDACKEL....


"Der Wackeldackel wackelt, mit seinem Wackelschwanz", brul ik. Achtentwintig tweedeklassers staan achter hun stoel, kijken me met grote ogen aan. "Een en twee", tel ik, om het ritme aan te geven, dan herhalen ze het allemaal: "Der Wackeldackel wackelt, mit seinem Wackelschwanz."

Een paar leerlingen staren me aan alsof ik compleet debiel ben geworden, een jongen op rechts hangt dubbel geklapt, gapend over zijn stoelleuning. Een meisje achterin rolt met haar ogen om aan te geven dat ze hier nu echt te oud voor is geworden. Eén jongen vooraan kan maar niet ophouden met giechelen. De rest doet lief mee.

Op de school waar ik werk is het gebruikelijk om bij Engels, Duits of Frans aan het begin van de les een gedicht of ballade te reciteren. Simpele versjes, Zungenbrecher, literaire liederen, alles mag de revue passeren, zolang het maar een gezamenlijk moment is. 

Zolang er maar een beetje ritme in zit. Elke zes weken leren deze tweedeklassers een nieuw gedicht uit hun hoofd, compleet met klappen, stampen, versnellen, vertragen dan wel andere kunstgrepen om de gemiddelde puber geest een beetje aufmerksam te houden. Dat sommige leerlingen denken dat ze weer terug zijn bij de kleuters ik snap dat best, maar ik zie van dit lesbeginselen inmiddels ook wel weer de charme in.

“Der Wackeldackel wát?” vraagt een leerling. Samen vertalen we dit gedicht – dat ik half van internet heb geplukt echter half zelf heb aangevuld. We zijn er inmiddels achter dat een Wackeldackel een wiebelende teckel moet zijn, een leerlinge heeft al de associatie met een plastic autoteckeltje gemaakt, zo’n hondje met een schuddend kopje op de hoedenplank van de auto die mee Wackeld met zijn koppie op de bewegingen van de auto. Als we bij de Wackeldackelschwanz zijn aangekomen, wend ik me tot de giechelende jongeman.

“En nu gaat Ole* ons eens vertellen wat die Wackeldackelschwanz precies te betekenen heeft,” meld ik de klas alvast. Ole giechelt nog harder. Hij krijgt geen woord uit zijn mond. 

“Sebas* gaat hem daar even bij helpen”, vervolg ik, verwijs daarmee naar Ole’s buurman. Die begint mee te giechelen, lijkt ook niet echt van plan om iets te zeggen of toe te voegen.

Vorig jaar heeft deze klas de zes coupletten van het best heel lastige gedicht 'Das Feuer' van James Krüss uit het hoofd geleerd, met daarin tientallen woorden die ze nog niet kenden. Dat ging overigens allemaal prima. Maar nu moeten de jongens iets met een Wackeldackelschwanz abrupt blokkeren die totaal. Ik vind deze preutsheid prachtig.

Een meisje achterin de klas heeft al een tijdje haar vinger de lucht in gestoken. Ik wijs haar aan. 

“Schwanz betekent zowel staart als piemel,” zegt ze. “Ik begrijp eigenlijk niet goed waarom jullie zo moeilijk doen.”

“Precies,” zeg ik. “En Ole, welke van de twee zou hier in dit gedicht bedoeld worden,.....  wat denk jij?”

Wederom alleen maar geproest.

“Kleuters,” zucht het meisje.

                                                                                                                                              * Niet zijn echte naam