Rabu, 12 Desember 2018

SCHRIJVER SCHRIJFT OM TE SCHRIJVEN !


Ik weet niet of het wel verstandig is om mijn oude hart uit te storten. Ik weet helemaal niet wie daar nu precies op zouden zitten te wachten. Amsterdam, Groningen in vergelijking met bijvoorbeeld Parijs kleine steden ook niet vergelijkbaar met Londen. Ja door de bril van Alex was weliswaar populair, maar kende geen continuïteit omdat ik die niet hoefde te schrijven maar mocht. Er moet achter elke schrijver wel iemand zitten die dwang uitoefent iemand met een zweep. 

Volgens een zieneres op het platteland van Groningen zou ik in mijn vorige leven een vrouw zijn geweest, dus ik kan hier aardig mijn oude hart ophalen. In mijn huidige leven reisde ik vroeger graag en veel door Europa, maar vandaag de dag ligt Europa maar een paar vliegminuten van huis. Nu sjok in soms een rondje rond de Grote Markt of een wandeling rond het Hoornse meer als ik goede moed heb, wat niet meer zo vaak voorkomt zijn de bossen een alternatief.  Als ik zou gaan schrijven dan zal ik hoogstwaarschijnlijk News-Groningen niet meer bijhouden. Ik heb dit of schrijverijen opgebouwd. Niet zomaar trouwens het had net als schrijvers een doel namelijk mijn handicap dyslexie bedwingen. Je moet dan spelen met de Nederlandse taal soms vloeken dat er wederom in de geschreven tekst die ik ook nog had nagelezen wederom dus een schrijffout ingeslopen was. 

De stamtafels waren mijn vrijdagmiddagfavoriet. Vroeger schoven wij vaak een tafel bij. Tegenwoordig niet meer. De Groene zoden hebben velen een plek gegeven.  Die dag rook de buurt een beetje anders naar de Groninger Vismarkt waar de Vis halverwege Folkingestraat je neus binnen kwam. Toen de Qwota nog niet was ingevoerd zwierf ik langs de haven van Zoutkamp op vrijdag waar de ZK's binnen voeren er nog weleens een maaltje vis was te scoren. Na de inpoldering verhuisde dit naar Lauwersoog. Ik was toch vaak in die streken te vinden bewoonde een periode een vervallen klein boerderijtje op Kollumerpomp bezocht de familie op Zoutkamp waar ik velen kende die binnen de visserij een boterhan verdienden. Mijn eerste kennismaking was aan de tafel in de keuken waar de garnalen werden gepeld. Mijn schoonvader zette me aan tot pellen met de woorden elke garnaal jij uit zijn jasje haalt hoeven wij niet meer te pellen. Keurig een bordje vol garnalenpellen. Nee de stamtafel in Zoutkamp zal wel opgebrand zijn en een maaltje vis dat is bijvangst en dus verboden.  

Zoet, heel zoet. De ramen van de kroegen met stamtafels waar de week doorgenomen werd zijn beslagen. De koffiehuizen puilen uit en in alle restaurantjes pruttelt de kookpot. Als ik nu nog weleens in de stad waar ik een deel van mijn jeugd doorbracht Amsterdam, is alles ondergronds gegaan. 

Stamtafels zijn zeldzaam tegenwoordig hoor ik wel dat het niksnutten zijn, maar swingende niksnutten, in de mooiste trainingspakken, liefst wit of van een club met stoere glimmers om pols of hals. Ze rappen hun prooi naar de vlechtende vingers: ‘Jij bent zo mooi dat alleen mijn zuster goed genoeg voor je is. Zij kan met haren toveren!’ Moeder, nicht, hele families worden bij elkaar gelogen. Geen vrouw loopt alleen de trap op. Boven, op de boulevard, begint het keuren van de etalages, het kiezen van een passend model en afdingen op de prijs.

Elk levensvlechtwerk vertelt een verhaal. Ben je gelukkig, ongelukkig? Zoek je een minnaar of heb je letterlijk de buik ervan vol? De stamtafel vlocht het in. Met eigen verhalen in opschrijfboekjes, of valse herinneringen, in alle kleuren. Dat laten  lezen waar je vandaan komt. De geschiedenis toch van horen zeggen wat als waarheid soms mooier gekleurd is. Schrijven is een oude traditie die in het moderne weblog sterker leeft dan in boeken, bladen of tijdschriften. Schrijfblokjes houden het verleden nu eenmaal langer vast – herinneringen zijn soms het rijkste bezit van een dagboek. Hoe krachtiger de invloed van het nieuwe land, des te heviger stollen oude gebruiken, terwijl de bakermat zich de nonchalance van vergeten kan veroorloven.

Mijn lange zwerftochten mijn leven of de kraakpanden waarin ik verbleef ze zijn niet meer. Maar het is ook de buurten waar mijn leven goed samengaan. Anders dan in de dorpen mengen vrienden aan de stamtafels zich hier. In de arme banlieues zit ieder in het hok van zijn woede, gescheiden in geslacht, gescheiden in recreatie en gescheiden van het individuele  leven. Armoe van vroeger verdeelt en verveelt, geld mengt je leven in een bepaalde kleur. 

Na sluitingstijd, als de dweil door het stamcafé  wordt gehaald, is het in de naastgelegen cafés een komen en gaan van meiden en vrouwen die hun  laten bewonderen. Ik zet me achter een krant en schat de kansen in van de perronjongens die na gedane arbeid azen op een vrolijke nacht. Even later druppelen er een paar buurtbewoners binnen – uit alle werelddelen – en na drie glazen vind ook ik de moed om aan te schuiven. De gesprekken zijn tegenwoordig anders de reuk ook een joint nee dank je. De verhalen zijn heel anders maar de tijd ook. 

‘Gisteravond tien keer door de politie gecontroleerd. Twee uur op het bureau gezeten.’ ‘Ik word er gek van, ze moeten mij altijd hebben. Altijd ons.’ Ze praten door elkaar. Met groepsmond.‘Maar deden jullie dan niks?’ vraag ik. ‘Niks. Ik liep alleen maar. Zat en keek.’ ‘Zoals ik'. ‘Ja, zoals jij. Een jij die elke dag z’n papieren moet laten zien.’ (Ze tutoyeren me.) 'Hoe vaak moet jij ze laten zien?’ vraagt een van de jongens mij. ‘Nooit.’ ‘Zie je wel, jouw kleur is je carte d’identité.’ Als ik dan doorvraag t's immers nu al vele jaren mijn beroep doorvragen alleen niks en dan mee een hele nacht vast in de cel ... Nee, ik schold ze uit.’ ‘Wat zei je?’ ‘Hoerenzoon…. Tegen een Marokkaanse agent.’ T'ja wij hebben al moeite ze op straat te krijgen wie wil er nu uitgescholden geschoffeerd worden en dat tegen geringe betaling het pispaaltje onder een vergrootglas zijn. Ik word weer witter dan ik was.

Buiten vliegen duiven af en aan. Snavels graaien naar op straat gekwakte etenswaren in de goten. Mijn cafégenoten nemen elkaar op in het vallend avondlicht. Ik verstijf. Verkeerde carte d’identité. Uiteindelijk ben ik toch meer vreemdeling dan zij.

Een paar vrijdagen later zit ik weer in de kroeg. Dit keer vergezeld van een vriend die er zijn schildersatelier heeft. We verschillen nauwelijks in leeftijd, kleur en kleding. Alleen lacht hij gemakkelijker, hij knipoogt zelfs. Om mijn plaatsvervangende schaamte te verhullen, kan er bij mij nauwelijks een knikje vanaf. Zo houden we elkaar in evenwicht. Al slaat mijn vriend door bij het kiezen een drankje ik kan het niet uitspreken. Als ik in mijn oude regenjas die nacht naar huis loop, groeten verschillende studenten mij met de woorden zo ouwe. Ik kan het er niet meer met hem over hebben, ze hebben het tijdelijke voor het eeuwig verruild zonder mijn toestemming overigens anders was mijn stamtafel nog lekker vol met joligheid had ik nog wel zin mijn verhalen in mijn kleine notitieboekje op te rakelen, nu moet ik er over nadenken of ik die wel wil achterlaten. Oude meuk zullen ze wellicht zeggen, misschien een vermelding voor de moeite.